(23-07-2019)

 

Deze treedt per 1 januari 2020 in werking. 
Om voor de nieuwe Kleine Ondernemingsregeling (KOR) in aanmerking te komen gelden veel minder voorwaarden dan voor de huidige regeling. De nieuwe voorwaarden zijn:

- De ondernemer is in Nederland gevestigd of heeft hier een vaste inrichting;
- De omzet is niet hoger dan 20.000 per kalenderjaar.

Onder de oude voorwaarden kunnen alleen natuurlijke personen of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen gebruik maken van de regeling. Onder de nieuwe voorwaarden kunnen ook rechtspersonen, onder andere verenigingen en stichtingen, de nieuwe regeling toepassen, mits in Nederland gevestigd of met een vaste inrichting in Nederland. De omzetgrens geldt enkel voor leveringen en diensten die plaatsvinden in Nederland, ongeacht welk btw-tarief van toepassing is en of de heffing van BTW is verlegd naar de afnemer. De omzet die wordt behaald met leveringen en diensten die niet in Nederland plaatsvinden, worden hierbij niet meegenomen. De omzetgrens geldt per kalenderjaar. Dit betekend dat een ondernemer die in december van een bepaald jaar startgebruik kan maken van de KOR als zijn omzet in december maximaal 20.000 euro bedraagt. 
Als door een KOR ondernemer op enig moment de omzetgrens wordt overschreden, vervalt op dat moment de toepassing van de regeling. Alle reguliere btw-regels, onder andere het in rekening brengen van btw en het doen van btw-aangifte, gaan vanaf dat moment gelden.

Anders dan de huidige regeling moet een ondernemer die vanaf 1 januari 2020 de KOR wil toepassen, zich hiervoor aanmelden bij de Belastingdienst. Aanmelden kan vanaf 1 juni 2019 middels een formulier, welke te vinden is op de website van de fiscus. Op de website geeft de Belastingdienst aan dat ondernemers die vanaf 1 januari 2020 de regeling willen toepassen ervoor moeten zorgen dat het fomulier uiterlijk 20 november 2019 bij de Belastingdienst binnen is. Als een ondernemer het na 1 januari 2020 wil toepassen, adviseert de belastingdienst om uiterlijk vier weken voor de ingangsdatum van het aangiftetijdvak het formulier aan de Belastingdienst te sturen, in verband met een verwerkingsperiode van vier weken. Ondernemers die voor invoering van de nieuwe KOR al een ontheffing voor de administratieve verplichtingen hebben, hoeven zich niet aan te melden. Deze worden door de Belastingdienst automatisch aangemeld. Ondernemers die ervoor kiezen om de KOR toe te passen, doen dit voor minimaal drie jaar. Toepassing van de KOR komt ook te vervallen op het moment dat de omzetgrens van 20.000 euro wordt overschreden. Dit moet direct aan de Belastingdienst worden gemeld. Ondernemers die automatisch worden aangemeld voor de nieuwe KOR, omdat deze ontheffing hebben voor de administratieve verplichtingen, kunnen zich op ieder moment afmelden. Let wel dat na afmelding van de KOR vanaf het moment van afmelding drie jaar niet kan worden toegepast.

(01-07-2019)

Een eventuele Box 3 belasting over het werkelijke rendement op spaargeld kan niet voor 1 januari 2021 worden ingevoerd. Dit heeft staatssecretaris Snel van Financiën afgelopen donderdag gezegd in de Tweede Kamer.

De Tweede Kamer debatteerde donderdag 27 juni jl. met de staatssecretaris over de belasting nagenoeg renteloze spaartegoeden, dit mede naar aanleiding van een recente uitspraak van de Hoge Raad, die oordeelde dat de vermogensrendementsheffing in strijd is met de mensenrechten.

De staatssecretaris begrijpt dat belastingbetalers niet accepteren dat zij worden aangeslagen voor een rendement dat ze niet maken. Hij kon echter nog geen concrete toezeggingen doen over een belastingheffing over het werkelijke rendement op spaargeld. En als dit al lukt, is dat niet eerder dan in 2021.

De staatssecretaris wees erop dat eenvoudige oplossingen grote nadelen hebben. Zo wil hij vermijden dat vermogende belastingplichtigen een belasting over het werkelijke rendement misbruiken door hun hoogrenderende vermogen op de peildatum even op een spaarrekening te zetten. Dergelijke ontwijkingsproblemen staan een stelsel waarin alleen nog het werkelijke rendement wordt belast, vooralsnog in de weg.

(18-06-2019)

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overweegt een extra belasting voor mensen die profiteren van overheidsinvesteringen zoals bijvoorbeeld uitbreidingen in het openbaar vervoer. Dit blijkt uit stukken die het ministerie naar de Tweede Kamer heeft gestuurd in het afgelopen half jaar.

Baathebbers:
Het zal dan ook gaan om bijvoorbeeld projectontwikkelaars, woning- en vastgoedeigenaren, automobilisten en reizigers. Nu leveren de partijen die profiteren van bijvoorbeeld een hogere grond- en huizenprijs en een betere leefbaarheid geen directe bijdrage, dat schrijft het FD. De grote steden hebben, zo blijkt uit onderzoek, zelf onvoldoende geld voor het uitbouwen van hun openbaar vervoer.

Mogelijkheden:
Er zijn nog geen definitieve plannen maar tot de mogelijkheden behoren een extra bijdrage van € 5.000 per woning bij nieuwbouwprojecten. Of het wegverkeer laten meebetalen via de motorrijtuigenbelasting, een bijdrage uit de kilometerheffing voor vrachtwagens en een congestieheffing voor auto's en vrachtvervoer is ook een optie. Bestaande woningen zouden via een tijdelijke heffing van € 75 per jaar kunnen meebetalen. Of een bijdrage bovenop de onroerendzaakbelasting die gekoppeld is aan de stijging van de woingwaarde. Van reizigers kan in ruil voor de betere kwaliteit een duurder kaartje worden gevraagd.


x